donderdag 15 mei 2014
vrijdag 22 november 2013
vraag en antwoord
Wat betekent dat? Betekent het iets? Is het normaal dat ik
hier, binnen een maand, twee merels voor Pampus zie liggen? En wat zegt het
over mij dat ik dit zie en opschrijf?
Ik weet dat er mensen zijn die allerlei natuurverschijnselen
willen uitleggen als zijnde een soort boodschap. Een boodschap aan mij vanuit
het universum, zullen we maar zeggen. In eerste instantie vind ik dat onzin,
maar naarmate ik er langer over nadenk wil ik ook niet zomaar aan dat idee
voorbijgaan. Tenslotte zijn er heel veel mensen, volksstammen over de hele
wereld, die al eeuwenlang betekenis geven aan zaken die zo op het eerste
gezicht onverklaarbaar zijn. Wie ben ik om dat zomaar in een regel terzijde te
schuiven? Maar ja, de meeste zaken zijn inmiddels wel verklaarbaar en naarmate
onze kennis groeit, daalt het geloof in sjamanisme en occultisme en aanverwante
religies.
Twee merels die binnen een maand op het terras liggen, is dat wel zo
bijzonder in een bosrijke omgeving? Zou ik in Amsterdam op een flatje zevenhoog
hebben gewoond en in een week twee merels op
mijn balkon hebben gevonden…dan zou dat wel te denken geven.
En die keer dat ik vijf slangen op één dag zag, was dat dan
niet heel vreemd en wellicht echt wel een teken van ‘iets’ aan mij? Maar die
slangen zag ik in de Alpen op een snikhete dag en ik heb geen idee hoe het met
de slangdichtheid in dat gebied zit en dus met de significantie van dit
verschijnsel.
En die keer dat we samenkwamen om de begrafenis van mijn
moeder te regelen en er maar liefs twee keer achter elkaar een uil op
klaarlichte dag overvloog? Heel vreemd, zeker omdat mijn moeder planken en
kasten vol uiltjes spaarde. Maar misschien vliegt er daar wel vaker een uil
rond en zagen wij dat gewoon nog nooit eerder.
En die keer dat er tijdens de begrafenismis van een collega
een grote vlinder door de kerk vloog, prachtig belicht door de stralen van de
zon die door de bovenste ramen naar binnenstroomden. Bij het opbaren van haar
lichaam hadden we de dag ervoor een groot schilderij met vlinders gezet, nog
vers in de verf. Wat zegt dat? Zegt dat iets? Zegt het niet meer dan dat ik een
dromer ben en naar vlinders kijk in plaats van naar de pastoor?
Wat een ochtend. Nog voor ik de eerste koffie drink, lijkt
het een taaie dag te worden vol vragen waarop ik nooit antwoord zal krijgen. Ik doe de gordijnen dicht en ga aan ’t werk. Zolang er geen
pechvogel op het toetsenbord komt zitten, zal het wel loslopen. Gelukkig kan ik
me met lekker concrete dingen bezighouden zoals de vraag of ik Pampus nu wel of
niet met een hoofdletter moet schrijven wanneer ik het gebruik in de
uitdrukking ‘voor pampus liggen’. Heeft iemand daar een antwoord op?
donderdag 31 oktober 2013
lelijk en laf
Tot een uur of vier
vond ik mijzelf nog aardig. Niet bijzonder bovenmaats, maar gewoon, iemand met de beste intenties zal ik maar zeggen.
Ik zat aan tafel te werken. In elk geval had ik een
opengeklapte laptop voor me. Buiten waaide het flink en vanuit mijn ooghoek zag ik de bladeren en takjes op het terras vallen. Boem. Een doffe klap tegen het
raam. Een merel tolde verdwaasd op de stoeptegels. Ik draaide me om beter te
kunnen zien hoe het beestje eraan toe was. Beroerd, dat zag ik zo. Ik stond op
en liep naar het raam om goed te kunnen kijken. Ja, mijn eerste diagnose klopte;
vogel zit er beroerd bij. Ik meende zelfs te kunnen zien dat hij bibberde. Hij
zal zo zijn veren gladstrijken, nog een keer zijn koppie schudden en dan
weghuppen, dacht ik hoopvol. Maar mijn merel, die zich nu onderscheidde van
alle andere merels waar ik niets mee te
maken had, leek steeds schever weg te zakken. Ik draaide mij resoluut om en
zette mij weer aan tafel, schuin afgewend van drama buiten. Ik typte wat
woorden, ik deed nog een spelletje Candy Crush en ik scrolde door mijn mailbox.
Maar de lol was eraf. De vogel trok mijn aandacht dwars door het raam naar zich
toe. Hij moest daar weg, er lopen hier katten rond die zullen hem vermoorden.
Of roofvogels…In elk geval zou er een gruwelijk scenario volgen waar ik geen
getuige van wilde zijn. Ik opende de schuifdeuren en liep voorzichtig naar hem
toe. ‘Uh, merel, je kunt beter in de struiken gaan zitten om wat aan te
sterken’, wilde ik zeggen. Hoe dan ook, het beest tilde zijn kop niet eens op.
Van dichtbij zag ik dat zijn snavel ontzet was. De bovenste helft stond scheef
ten opzichte van de onderste. Of net andersom, dat weet ik met mijn minimale
merelkennis niet. Zijn borstkas pompte gejaagd
in en uit. Even overwoog ik om een doos over hem heen te zetten en niet
alleen om hem te beschermen tegen de roofdieren, maar eerlijk gezegd meer omdat
ik het dan niet hoefde te zien. Ik klapte in mijn handen. Ga dan weg! Stom
beest! Ga! Maar er gebeurde niets. Met een ‘dan- moet- je- het- zelf- maar- weten- nonchalance liep ik terug naar mijn laptop. Nu ademde ik zelf te snel en
zag ik daar een bibberende vinger? Ik stond op, liep naar het raam, en trok het
gordijn dicht.
Vijf uur. Ik wilde nog even op fiets de stad in om een rokje te kopen en die fiets stond bij de schuur achter het terras. En dat terras was leeg. Geen spoor te zien van een bloedbad, geen veertje, geen poep. Hij zal veilig onder de rozenstruiken schuilen of misschien is hij al weer lekker aan het rondfladderen, dacht ik. Maar ik wist heus wel dat dat niet waar was. Toch een roofvogel? Ik fietste langs de huizen waar de paden vol bladeren, eikels en takjes lagen. De wind componeerde een herfstsonate vol hoge fluittonen en donkere krakende intermezzo’s. Kraaien of kauwen, in elk die grote zwarte vogels, krijsten op een tuinpad. Ik zag vanuit de verte al een groepje kauwen heen en weer vliegen van het hekje naar de onderste boomtakken en van de onderste tak snel weer door naar de containers aan de straat. Onrust alom, paniek misschien, op die paar vierkante meter. Ze hadden vast ruzie om een extra large eikel, dacht ik. Vlakbij zag ik dat er iets anders aan de hand was. Heel anders. Echt, ongelooflijk bizar. Op de grond lag op zijn rug (!) een zwarte vogel. Zijn vleugels wijd uitgespreid en zijn pootjes wild klauwend om zijn aanvallers te weren. Hij schreeuwde: ‘Krak kra kraaa!’. Naast hem stond een kauw, een hele grote, hoog op zijn pootjes met zijn dikke snavel op het slachtoffer in te hakken. Zijn vleugels klapperden een beetje om zichzelf in evenwicht te houden, vermoedde ik. Om hen heen vlogen andere kauwen. Een stuk of 10 vogels scheerden kris kras door elkaar over het vechtende stel. Sommigen doken vanuit de boom naar beneden om vlak boven het gevecht van koers te veranderen. Aan de randen van de denkbeeldige boksring hipten andere kauwen zenuwachtig heen en weer. Gillende toeschouwers. Van wat? Ik maakte de balans snel op. Ik stapte er eerlijk gezegd nog niet eens voor van mijn fiets. Het slachtoffer was vast al dodelijk gewond, dit was nu eenmaal de natuurlijke selectie en de natuur moest zijn loop hebben en ik mijn rokje.
Half 6. Ik was nog net voor
sluitingstijd in de V&D. Met een leuke rok aan stond ik in de paskamer. Ik
draaide vreugdeloos rond. In de spiegel zag ik een lelijke vrouw en op haar
voorhoofd stond geschreven:
©irma uhlenbusch
maandag 3 juni 2013
Gesprek met mijn boek.
- Alweer? Ik
ben nou toch af?
- Misschien
had ik je toch dikker moeten maken.
- Begin nou
niet weer met…
- Jawel,
stil nou, ik twijfel gewoon aan het literaire gehalte.
- Hangt dat
af van de dikte?
- Nou ja,
niet helemaal, maar ik had ook aan het einde de ontwikkeling van het personage
meer diepgang kunnen geven. Dat ze er iets van geleerd zou hebben,
bijvoorbeeld. Dat heeft ze ook wel maar ik had daar meer woorden aan moeten
besteden, misschien.
- Je
twijfelt dus aan de intelligentie van de lezer. Je zegt tijdens je cursussen
zelf dat je niet alles uit moet leggen aan de lezer.
- Ja maar,
vind je niet dat ik er een hoofdstuk bij had moeten schrijven om het geheel wat
meer body te geven?
-Vind je een
kort gedicht van bijvoorbeeld Herman Gorter weinig inhoud hebben omdat het
weinig woorden telt?
-Nee, da’s
waar, maar jij ligt daar zo iel naast Geert Mak en A.F.Th. van der Heijden.
-Ik lig
prima. Ik ben trots op al mijn woorden. Meer is niet per definitie beter.
-En dan nog
iets.
-Ja?
-Vind jij dat
ik te expliciet ben geweest in bepaalde scènes? Je weet wel, die scène dat hij
haar laat bukken bij de bank…
-Gaan we nou
opeens preuts doen? Hoe kan je over de liefde schrijven zonder lichamelijke
intimiteiten te beschrijven? Ik ben toch een realistisch boek; ik ga toch over
echte mensen en echte verhoudingen?
-Ik hoop dat
mijn schoonmoeder het ook zo interpreteert
-Literatuur
en kunst in het algemeen mogen niet behaagziek zijn. Je wilt toch iets vertellen,
nieuwe beelden creëren, verontrusten, twijfel zaaien of ontroeren.
-Ja maar…
-Irma, nou
moet je echt ophouden. Ik ben trots op mezelf, ik sta te glimmen in de winkel
en ik weet dat ik mensen raak, dat ze mij geboeid lezen.
-Maar er
staan zelfs foutjes in; een komma verkeerd en erger nog…
- Je huldigt zelf het motto ‘wie geen fouten
maakt, maakt meestal niets’. Weet je wat; schrijf het lekker van je af en val
mij hier verder niet mee lastig.
-Boek?
-Ja?
-Dank je
wel.
woensdag 8 mei 2013
Met de billen bloot.
Nog negen dagen. Ik zou natuurlijk vandaag een noodkreet
naar de uitgever kunnen sturen. Iets in de trant van ‘ik zie toch maar af van
publicatie want ik ga eerdaags solliciteren op een droombaan waarbij ik een
smetteloos cv wil kunnen overhandigen’. Of ik vertel ze dat mijn kinderen nu
net in een kwetsbare periode zitten en er absoluut geen losbandige moeder bij
kunnen hebben. Of misschien moet ik de uitgever wijsmaken dat mijn ouders
doodziek zijn en de schande niet zouden kunnen verdragen. En je moet er toch
niet aan denken dat zij deze smet in hun laatste levensdagen met zich mee zullen
dragen.
Van tevoren heb ik niet kunnen vermoeden wat deze
debuutroman voor onrust met zich mee zou brengen. Ik heb geschreven zonder
externe, morele censuur. Gelukkig maar, want creativiteit en censuur bijt
elkaar. Thuis, achter de laptop aan tafel, voelde ik mij God in Fantasieland.
Ik schudde personages, verhaallijnen en spanningsbogen uit mijn mouw. Mijn
betrekkelijk veilige anonimiteit vertoont nu scheuren en dat maakt dat ik me
begluurd voel tot in het diepst van mijn gedachten. Natuurlijk gaat dit boek
niet over mijzelf ook al staat er op elke bladzijde ‘ík’. Maar toch...In de
literaire wereld is het niet relevant wat er nu precies echt gebeurd is en wat
de schrijver heeft verzonnen. Maar mijn dorp, mijn dagelijks leven, mijn
familie en vriendenkring staan mijlenver verwijderd van literatuur. Staat
er geschreven dat ik de hond heb
doodgeschoten, dan is dat zo. En lezen ze dat ik met een wildvreemde man in een
auto heb liggen vozen, dan is dat zo.
Nu nog, om precies te zijn nog negen dagen, leef ik in de
illusie dat mijn schoonmoeder mij een
degelijke en lieve meid vindt. Dat mijn vader denkt dat ik slechts wonderschone
poëzie schrijf. Nu nog kan ik zonder rode wangen over straat en een ijsje halen
zonder dat ik mij afvraag wie mijn boek heeft gelezen, wie er wat van vindt. Ik
zou kunnen zeggen dat ik mij hier niets van aantrek, dat ik mij niet naakt voel
omdat het helemaal niets met mij te maken heeft. Toch?
donderdag 25 april 2013
Scheuren
Je klapt in je handen bij de eerste stapjes en je
juicht bij de eerste woordjes. Het potje maakt plaats voor een heuse wc-bril en
de step wordt ingeruild voor een roze fietsje. Niets op aan te merken, toch?.
Maar toen ze 4 jaar werd, kwam er al een ommekeer
in mijn opvoedplan. Mijn kleine meid vond steeds vaker op eigen houtje haar
weg. Zelf jas aandoen, zelf de klas inlopen,
zelf naar een kinderfeestje. Ze had mij niet meer zo nodig, hooguit voor een
pleister of een veilige plek in bed als ‘s nachts de droomdraak langskwam.
En dan heb ik het nog niet over de crisisjaren,
vanaf een jaar of vijftien. Alleen in de nacht op de fiets naar huis, alleen
kiezen voor een school, een vriendengroep, een leven. Maar goed, het was toch ook
de bedoeling dat ze zelfdenkend zou worden?
Opvoeden is loslaten, zei een vriendin.
Los-scheuren zal ze bedoelen. Ik ben een angsthaas wanneer het mijn kinderen
betreft. Het is dat ik ze niet aan de keukentafel mag vastbinden van de
kinderbescherming, maar in gedachten liggen ze vast aan een ketting van
waarschuwingen, goede raad en ‘hoe-haal-je-het-in-je-hoofd!’ schreeuwen.
Inmiddels is dochterlief eigenwijs en overmoedig, dus ik zou moeten
concluderen dat de opvoeding is geslaagd. Het kind is zelfstandig en naar ik
hoop ook volwassen; project is Af.
Maar sinds zij besloten heeft, en notabene al
geboekt heeft, voor een reis naar India, in haar uppie, lig ik weer ouderwets
wakker en zie haar in gedachten al in die ene bus, bij die ene groep mannen,
zich verweren tegen alle handtastelijkheden. En dan heb ik het nog niet eens
over diarree, tyfus en HIV.
Maar goed, ze gaat toch en ik ben diep van binnen
ook apetrots op die kleine grote meid.
©irma 2013
donderdag 14 maart 2013
onze Frans
Het lijkt me een
leuke man. Hij stond daar zo verlegen in zijn witte jurk te zwaaien naar al die
piepkleine, enthousiaste mensen op het
plein. Naast hem stonden ernstige roodgemutste mannen, waarbij onze nieuwe paus
extra ontspannen contrasteerde. ‘Broeders en zusters, goedenavond’, zei hij.
Dat was goed getimed. Eerst had hij alleen maar gestaan, toen even gezwaaid,
daarna had hij weer lang staan kijken, alsof hij het zelf nog niet geloven kon
dat hij daar werkelijk zo pontificaal stond te staan. In al zijn eenvoud maakte
hij contact met de buitenwereld, door eerst maar eens gewoon gedag te zeggen.
Dat moment was goud waard. Daarmee had hij mij al voor zich gewonnen.
En dan die naam, zeg
maar Frans(iscus), en dat hij in een gewoon huis woont, gewoon zelf kookt en
gewoon met de bus gaat…Het was bijna een Jan Klaassen en Katrijn voorstelling.
Of kwam dat door die gordijnen, die zo theatraal gedrapeerd zorgden voor het
poppenkast effect? Ik riep hem nog toe ‘Kijk uit! Pas op voor de heks!’, maar
het was al te laat. Achter de schermen waren de journalisten en andere –isten
al druk aan het googlen; zij spitten net zo lang in zijn verleden tot er stront
naar boven kwam drijven. Ze vonden een foto van onze Frans met Videla, een
financieel onderonsje met Maxima, een negatieve uitspraak over homo’s en er zal
nog wel meer gevonden worden.
Maar ik vind hem
leuk. Net zoals ik prins Claus sympathiek vond toen hij demonstratief zijn
stropdas weggooide en koningin Juliana vond ik ook een lekker gek mens, zo
gewoon, bescheiden en toegankelijk.
Dus kinderen, als we
weer naar een voorstelling van de paus gaan kijken, dan roepen we eerst allemaal
heel hard ‘Franciscus, Franciscus!’, en als hij dan tevoorschijn komt dan
klappen we voor hem. Afgesproken?
Abonneren op:
Posts (Atom)



